Kristof Devos

1981. Een koude novembermiddag. Ik huil bij het zien van de eerste zonnestralen in m’n leven. Drie jaar later vergeet ik de wereld rondom me wanneer ik in de kleuterklas een ware epifanie beleef tijdens het tekenen.

Waar voor een buitenstaander de lijnen op m’n blad bij een eerste oogopslag misschien een nietszeggend kluwen vormen, zit voor mij achter elke streep wasco een verhaal. De kleuterjuf kijkt schijnbaar goedkeurend mee over m’n schouder, neemt de tekening mee naar voren – het ereschavot! – en toont ze aan de klas. De trots die zich in mijn hoofd razendsnel opstapelt spat uiteen wanneer de juf geen applaus, noch gapende bewondering afdwingt bij m’n medeleerlingen, maar tot groot jolijt van de peuterbende een hoongelach zonder weerga eist om m’n bespottelijk geklieder. M’n magnum opus beschimpt. De eerste herinnering uit mijn leven. 

Misschien is het de nazinderende wraaklust, maar misschien nog meer een soort innerlijke drang die me drijft wanneer ik deelneem aan tal van tekenwedstrijden te lande.

Ik win achtereenvolgens een emmer stoepkrijt, een pluchen dinosaurus en een brooddoos met duidelijke gebruikssporen. De ene na de andere eenpaginastrip, pentekening of droedel rijst op uit de koker van de peuter, de kleuter, de puber en vervolgens de adolescent. Steeds meer ruil ik m’n potlood in voor de digitale pen en verandert het tekenen in vormgeven. In 2005 studeer ik af met een titel die ik nooit meer in de mond neem: Meester in de beeldende kunsten, Grafische vormgeving en Typografie.

Hoewel ik nog de allereerste Popfolio Artwork Award voor beste cd-ontwerp win, lokken de geuren van vers geslepen potloden en handgeschept papier me terug naar de tekentafel. Ik begin koortsachtig te schetsen, maak een prentenboek, een zoon, tientallen schetsjes van de dag, een heus caravatelier, nog wat boeken en weet ondertussen welke titel ik wel durf uit te spreken: illustrator.